Vorige pagina
Wat is nu een Run- of Eekmolen

Molen de Weert, vroeger ook wel bekend onder de naam Eekmolen, was de belangrijkste eek- of runmolen voor de leerlooi industrie in Meppel. Het was een achtkantige stellingmolen op een stenen onderstuk. Aanvankelijk was de Weert ingericht als run- en pelmolen. Later is er een koppel maalstenen bijgekomen. Rond de molen bevonden zich drie houten schuren. Zij dienden oorspronkelijk voor de opslag van eikenschors.
Hieronder leest u informatie over Molen de Weert als run- of eekmolen zoals het vroeger was.


RUN- of EEKMOLENS

In runmolens, ook wel schors- of eekmolens genaamd, werd eikenschors vermalen tot run. Deze substantie werd gebruikt als looistof in de leerlooierijen. Run (of eek genaamd) bleek ook zeer geschikt te zijn voor het zogenoemde tanen van scheeps- en molenzeilen en werd aanvankelijk op grote schaal gebruikt. De zeilen kregen door deze bewerking een roodbruine kleur. De "bruine vloot" is tegenwoordig nog een begrip en herinnert ons aan deze roemrijke periode.

De omgeving van Meppel was uitermate geschikt voor de vestigingen van leerlooierijen en de daarbij behorende runmolens. Meppel ligt immers op de scheiding van de hogere zandgronden van Drenthe en het laagveengebied van Noordwest Overijssel. De zandgronden leverden het eikenhakhout en het laagveengebied met veel veeteelt was de leverancier van veel dierenhuiden.
In mei, juni en juli trokken veel Veluwse eekschillers naar het Drentse land om daar eikenhakhout te verzamelen.
Het hele gezin, met vaak een plaggenhut als tijdelijke behuizing, werkte hieraan mee. Men begon vroeg in het voorjaar met het eekschillen, omdat dan de sapstromen in de bomen opgang kwamen, waardoor de bast makkelijker te verwijderen was. Vooral in het voorjaar met zijn wisselende weersgesteldheid was de productie van eek (eek betekend in het Drents eik) nogal verschillend. Eekschillers

Na een periode van nachtvorst (rond IJsheiligen) ging het eekkloppen erg moeizaam, aangezien de sapstromen tijdelijk door de kou stagneerden. Het eekkloppen kon men dan een paar dagen wel vergeten. Men moest het er dan letterlijk afvillen. Bij wat warmer en groeizaam weer viel vaak al na 6 of 7 keer kloppen met een speciaal klopbijltje het hout gemakkelijk uit de bast. Het was zwaar werk en de eekschillers liepen vaak twee tot drie maanden rond met bruin/zwarte handen, omdat de eekstof diep in het vel getrokken was. Het verdween pas na verloop van tijd door uitslijten.
Na het werk in de bossen werd het schors verzameld. De schors, holle pijpjes van twintig, dertig centimeter lengte, werd gedroogd op een open terrein (windvang). De schors moest volkomen droog zijn, omdat vochtige schors moeilijk te vermalen was of raakte door het vocht beschimmeld waardoor het moeilijk te verkopen was. De van schors ontdane eindjes eikentak vormden het zogenoemde talhout, dat o.a. dienst deed in palingrokerijen, of men maakte er gewoon het vuur mee aan. Alleen de rijke mensen konden zich dergelijk brandhout veroorloven. Veelal werd er mee gevent. Dit talhout werd per tal verkocht. Een tal eikentakken is honderd stuks.

Omstreeks de langste dag van het jaar, wanneer de tijd van het eekschillen voorbij was, verkocht men de voorgedroogde schors aan de molenaars in Meppel en omstreken. De runmolenaar hield het aangeleverde product goed in de gaten. Hij kon bij het storten van de schors al direct horen of deze goed droog was. Ter controle brak hij vaak een stokje doormidden en dit moest ter goedkeuring dan een krakend geluid geven.
In de schuren van de eekmolens werd de schors opgeslagen, nagedroogd en in spaanders gehakt. Wanneer de eikenbast kurkdroog was, werd deze tussen een tweetal stenen vermalen. Dat kwam erg precies, aangezien de schors zeer fijn gemalen moest worden om het meeste profijt van de looistof te krijgen.
Bij het malen kwam veel bruin poeder vrij. Het malen van gedroogde eikenschors was dan ook erg vuil werk. Vaak kon je een molenaar herkennen aan zijn gebruinde uiterlijk veroorzaakt door de bruine stofdeeltjes. Volgens menig molenaar zou het een goed middel zijn tegen verkoudheid, maar een gezonde arbeid was het zeer zeker niet.

De stukjes schors werden op speciale stenen gemalen met een grover scherpsel. In de loper was een erg groot kropgat aangebracht om de toevoer van het maalgoed, dat vrij grof was, te vergemakkelijken. Bovendien zorgden vrij grote openingen in de loper (de zgn. "zwelgaten") verder voor een vlotlopende toevoer.
Men maalde vaak met Duitse stenen en het billen van zo'n koppel runstenen was een uiterst moeilijk karwei. In Meppel zijn deze stenen nog te bezichtigen in Molen de Weert.

De gemalen schors ging in grote zakken naar de leerlooier, die de run toevoegde aan een vloeistof waarmee de huiden geprepareerd werden. Dit geschiedde destijds in grote houten kuipen in de openlucht.
In de dertiger jaren van vorige eeuw nam de vraag naar gemalen eikenschors sterk af. Men ging chemische middelen toepassen bij de leerbereiding. Deze nieuwe preparaten waren niet alleen goedkoper, maar ook was hun werking intensiever. Dit laatste betekende een enorme tijdsbesparing.
Bovendien deed het dalende aantal zeilboten en windmolens de vraag naar getaande zeilen sterk afnemen. Beide ontwikkelingen bezegelden uiteindelijk het lot van de eekmolens. Eekmolen De Weert werd dan ook in het jaar 1937 stilgezet.

Bronnen:
Molens van Staphorst: Jan Rossing en Leo Bakker (het verleden van een eekklopper)
Vorige pagina